“It takes a Village. Hoe durft die meneer een keppeltje te dragen en hier buiten rond te lopen? Dat moeten we hier niet. Waarom loopt die man in een jurk? Heeft hij een baard, zegt hij Allahu Akbar? Dat moeten we hier niet. Een moskee, een synagoge, dat moeten we hier niet. Mohammed die op het MBO zit en solliciteert voor een stage, die moeten we hier niet. Iemand met een donkere huidskleur in ons sportteam, dat moeten we hier niet. Iemand, een tienermeisje dat graag bij een oliebollenkraam wil werken, leuk met hoofddoek, dat moeten we hier niet. Ik vraag me oprecht af wat moeten we hier precies niet?
Tegen fascisme, tegen discriminatie, tegen racisme, Jodenhaat, moslimhaat, tegen haat. Dus nogmaals: wat moeten we hier precies niet? En waar is hier want de wereld is groot. Een doolhof, digitaal en fysiek waar we elkaar in vinden en vervolgens uit het oog kunnen verliezen. Uit het oog, zolang maar niet uit het hart want ik wil jullie vragen om je hand op je hart te plaatsen, even je hand op je hart. Adem even goed in en uit en luister even, voel je hart kloppen, want dit lieve mensen, een kloppend hart is wat allemaal verbindt. En het enige wat ons hier op de wereld houdt tegen fascisme, tegen discriminatie, tegen racisme, Jodenhaat, moslimhaat, tegen haat.
Toen ik als kleine Yousef in 1991 geboren werd, klopte het hart van mijn vader niet meer. In 2017 klopte het hart van mijn broer niet meer. In 2023 werd ik zelf vader van een derde zoontje, maar klopte zijn hart vier dagen na de geboorte niet meer. Ik verloor mijn vader, mijn broer, mijn kind. Dit zijn mijn beproevingen in het leven en zo heeft ieder zijn beproeving in het leven: ondergedompeld in leed en verdriet. De een in mindere mate en de ander in extreme vormen, zoals Gerard Klein tijdens de Tweede Wereldoorlog, of nu op verschillende plekken in de wereld met beelden die ons aangrijpen, soms niet eens meer naar kijken. Beelden die ons raken. De een net iets meer als de ander, vaak omdat de ander de ander is en het is menselijk.
Het is menselijk dat we op voorhand meer compassie en connectie voelen voor en met mensen die op ons lijken en wie we ons herkennen. Laten we dat stukje in onszelf dus vooral niet ontkennen of afwijzen, maar vooral begrijpen; begrijpen hoe we psychologisch als mens werken en vanuit die bewustwording en onze eigen kwetsbaarheid aan de connectie met de ander werken. Ik werk, jij werkt, wij werken. Jullie horen het: werken is een werkwoord die alleen werkt als we ervoor kiezen om ons daadwerkelijk in te werken. Niet in te vechten, om soms tegen je voorgeprogrammeerde overtuiging in te gaan. Buiten onze eigen bubbels treden, diezelfde bubbel breken of juist de ander daarin te verwelkomen, mij bij de hand te nemen.
Zoals Gerard Klein dat afgelopen vrijdag deed, toen ik bij hem thuis aan de eettafel zat en ik hier op mijn beurt aan een ieder de hand toereikende maand tijdens de Ramadan, samen met mij en een groep jonge Hilversummers onderdeel te zijn van een iftar die we gaan organiseren, wat staat voor samen eten na een dag te hebben gevast. En Gerard Klein, ja wil ik er sowieso bij hebben. Ga voor jezelf eens na hoeveel van de mensen die echt onderdeel zijn van jouw bubbel op voorhand niet op jou lijken. Hoe divers is die bubbel echt? Als het antwoord niet is, sorry.
Een belangrijk mechanisme, wat schuilt achter onder andere fascisme, is dat we meer vervreemd raken van elkaar; beetje bij beetje elkaar dehumaniseren en wantrouwen. Wat als sluipmoordenaar binnen onze systemen dringt en de maatschappelijke onrust vergroot. Dus hoe minder divers de bubbel, de vruchtbaarder de voedingsbodem voor datgene waar we tegen zijn: tegen fascisme, tegen discriminatie, tegen racisme, Jodenhaat, moslimhaat, tegen haat. Maar ook hoe minder snel we voor elkaar opstaan en in verzet komen.
In verzet wanneer er foutieve nieuwsberichten de wereld in worden geslingerd en er honderden haatcomments onder te lezen valt. In verzet wanneer er stigmatiserende foto’s worden gebruikt bij nieuwsartikelen waarbij de link tussen foto en tekst ver te zoeken is en ook hier weer haatcomments onder te lezen vallen. En zo heeft ook de media een belangrijk en niet te onderschatten aandeel in het opwekken van haatgevoelens en een vijandig sentiment. Niet zomaar waren de nazis zo gretig om in 1940 de radiostations in Hilversum over te nemen. De EO heeft hierover onlangs een documentaire gemaakt genaamd ‘Het verraad van Hilversum’.
En tegelijkertijd realiseer ik mij al te goed, wonend in de mediastad, dat de media niet één entiteit is, helemaal niet in een gedigitaliseerde wereld van nu. Het komt, net als de mens, in meerdere vormen en lijkt vooral de op sensatie te berusten, tussen haakjes journalistiek hoogtij te vieren daar waar onderzoeksjournalisten het onderste uit de kan proberen te halen, oprecht kritisch zijn en het moeilijke gesprek niet schuwen. Want begrijp me niet verkeerd, ook dat moet: alles om ons als burger zo ethisch mogelijk te voeden. Zijn het de drang naar kliks, zijn het likes die steeds meer het medialandschap domineren, een verdienmodel ten koste van de verbinding en de vrede tussen ons als mens.
Ik verzet mij hier hevig tegen en als mediastad kunnen wij, nee moeten wij, meer gaan staan voor de kwaliteit van de media en de impact die dat op ons als samenleving heeft. Wij zijn de mediastad en zijn tegen fascisme, tegen discriminatie, tegen racisme, Jodenhaat, moslimhaat, tegen haat.
Tot slot: machteloos, hopeloos, kansloos, spoorloos, angstig, verslagen. Het miskennen van andermans pijn en verdriet doet geen recht aan je eigen pijn en verdriet. Erkennen van ieders beproeving en pijnlijkheden is essentieel om nader tot elkaar te komen en dat is waar we met z’n allen voor moeten blijven strijden, voor moet je blijven waken, met inzichten en lessen uit onze eigen unieke verhalen. Wat betreft mijn eigen verhaal met beproevingen: het heeft mij geleerd om mijn oordeel zo lang mogelijk uit te stellen. Ik zie, ik zie wat jij niet ziet, en jij leeft niet wat ik leef. Loop een maand in mijn schoenen mee en kijk of die haat nog steeds zo aan je kleeft.
En ik zeg wel haat, maar wat er vaak onder zit is angst. Angst voor het onbekende of angst voor het al eerder zoiets ervaren, dus bekende angst voor trauma. Ook heeft het mij geleerd dat niets in het leven vanzelfsprekend is, waar ik zelf niet alle antwoorden op of invloed heb op hetgeen wat me overkomt en berusting vind in het soms gewoonweg niet weten, hoe moeilijk ook soms. Maar goed, ook in vrede met mezelf en van daaruit met mijn omgeving.
Een antwoord die ik voor mezelf wel heb, is dat het vooral gaat om het dienen van diezelfde omgeving, dienen van een groter geheel. Geen ik, ik, ik, maar jij, zij, wij. Dienen van de maatschappij en die maatschappij vormen wij hier nu. De wereld verbeteren is de stoep in je straat schoonvegen, Anja of Fatma, de buurvrouw op leeftijd helpen met boodschappen. Je buurjongetje Bram of Ilias bijles geven, Altius, Dunkers, GAK, Spandersbos, de lokale sportvereniging ondersteunen, spontaan een bezoekje brengen naar de bloeizone van heel verzorgen om contact te maken met eenzame ouderen. Wij dienen een groter geheel, Hilversum.
Ongeacht welk geloof, achtergrond of etniciteit. It takes a Village, it takes a Village om de wereld een vredelievende plek te maken voor onszelf, onze kinderen en kleinkinderen. Wij zijn Hilversum tegen fascisme, tegen discriminatie, tegen racisme, Jodenhaat, Moslimhaat, tegen haat.”